Mijn moeder, Willy Noach, kwam uit Zutphen. Als het daarover ging, zag je weemoed, maar ook een twinkeltje in haar ogen. Horen kon je het niet, ze sprak zonder enig accent. Meestal tenminste, er was een uitzondering en dat was als haar nichtje uit Apeldoorn belde. Ik zat als kind dan op het puntje van mijn stoel. Prachtig vond ik het, om haar te horen praten in het Zutphens. Waarover het gesprek ging, maakte me niet uit, maar die klank. Ze was dan iemand anders, ze ging zo maar terug naar een wereld die ik helemaal niet kende.

Vertellen over haar jeugd deed ze weinig, maar toch. Ik weet nog wel het een en ander. Zo had ze een vriendinnetje, Sinie Kuiper . Ze woonden allebei in de Barlheze, of, zoals zij zei ‘de Balèze’. Ze gingen er samen naar school, maar hierover later meer.  Samen met andere schoolmeisjes had ze ook ooit bloemen aangeboden aan Koningin Wilhelmina, toen die een bezoek aan Zutphen bracht. Ze was ook een naamgenote van haar, al werd mijn moeder gewoon Willy genoemd.

Er woonden in die tijd nogal wat Noachs in Zutphen en omgeving. Neven en nichten, ooms en tantes, het was één grote joodse familie. Na de oorlog waren er niet veel meer over, maar ik herinner me nog twee neven van haar, oom Bram en oom David. Broers, de een nog kleiner en ronder dan de ander, maar altijd opgewekt en bereid om voor ons een ijsje te kopen wanneer we in de zomer gezamenlijk vakantie vierden in Zandvoort. Later werd dat Scheveningen, omdat er in Zandvoort zoveel Duitsers kwamen. Volgens mij was dat in Scheveningen niet anders trouwens.

Mijn opa en oma Noach waren niet orthodox te noemen, maar er werd koosjer gekookt, dat wil zeggen, er was een melk- en een vleesaanrecht in de keuken. Mijn zus vertelde ooit, dat zij en mijn broer  altijd pinda’s mochten pellen en dat ze heel graag bij hen logeerden. Een lievere opa en oma waren er niet. Helaas weet ik dat alleen uit de verhalen, ik heb ze niet gekend, ze hebben Auschwitz niet overleefd. Voor mijn moeder was dat laatste geen onderwerp van gesprek. Ze heeft haar verdriet, voor zover wij als kinderen wisten, in stilte gedragen. Mijn vader had hun aangeraden onder te duiken, hun antwoord daarop staat in mijn ziel gegrift: “Als we moeten werken daar, we hebben allebei twee handen aan ons lijf”.

Afgelopen voorjaar overkwam mij iets wonderlijks. Van een vriendin hoorde ik dat ik gezocht werd door iemand via het radioprogramma Adres Onbekend. Er werd gezocht naar de dochters van Willy Noach, getrouwd met de heer Vaz Dias. De zoekster  bleek de dochter van Sinie Kuiper, het schoolvriendinnetje van mijn moeder te zijn. Mijn zusje en ik hebben in de zestiger jaren eens bij haar gelogeerd. De vriendinnen hadden na jaren elkaar weer gevonden. Daarna verwaterde het contact weer. Maar nu had Hanny, de dochter van Sinie iets voor mij. Uit het huis van haar moeder kwam een vleesschotel, die haar oma ooit in bewaring had gekregen van mijn oma Noach. “Ik weet niet of wij nog terug komen, mocht dat niet zo zijn, dan is die schaal voor jou”. Er was heel goed op gepast. Niemand mocht hem afstoffen, alleen Hanny ’s oma en later haar moeder.

De zondag daarna waren we bij de radio-uitzending van  Adres Onbekend. Ik kreeg van Hanny de schaal die ooit van mijn oma was. Ik zal er bijzonder goed op passen en hem te zijner tijd doorgeven aan mijn kinderen. Zo’n geschenk krijg ik nooit meer.

Miriam Vaz Dias