Zoals de Jordaan in Amsterdam, Shoreditch in Londen en Le Marais in Parijs, is de Vesterbro in Kopenhagen van een achterstandsbuurt veranderd in een hippe wijk. Echter, de schrijfster Tove Ditlevsen werd geboren in 1917 in een woonkazerne in Vesterbro. Daar was toen nog niets hips aan. Het was armoede troef. Tove had één oudere broer, Edvin en samen met vader en moeder leefden zij een troosteloos leven. Tove Ditlevsen vertelt het eerste deel van haar jeugd in Kinderjaren.

Tove is het meest gericht op haar moeder, een wat verbitterde vrouw, met een zeer wisselend humeur.

Voor Tove is haar kindertijd niet bepaald gemakkelijk. Ze probeert het haar moeder naar de zin te maken, maar die is daar niet zo gevoelig voor. Haar handen zitten behoorlijk los als iets niet gaat zoals zij wil. “Moge God je bijstaan, als je niet dadelijk…” Zo begint elke opdracht aan Tove. Vader Ditlevsen slaat niet, maar dat wil niet zeggen, dat hij haar gelukkig maakt. Voor hem is er voor een meisje maar één rol weggelegd in het leven, ze moet werken, in het huishouden van een ander en later in dat van haarzelf. Als Tove zeven jaar is, raakt hij, socialist in hart en nieren, werkeloos. Het gezin vervalt tot diepe armoede.

Ze is een buitenbeentje, wil dichter worden, spelen vindt ze eigenlijk niks. Maar niemand neemt haar ambities serieus. Een en ander zorgt ervoor dat Tove haar kindertijd niet positief beziet.

‘Welke kant je je ook wendt, je stoot tegen je kindertijd en bezeert je eraan omdat hij hoekig en hard is, het houdt pas op, als hij je volledig aan stukken heeft gescheurd.’

De blik van Tove op het leven is soms wel erg wijs. Een kind van nog geen tien, dat de gedichten van de Russische dichter Gorki leest, het lijkt wel wat onwaarschijnlijk. En toch, interessant wordt het door de scherpe blik die ze heeft op de mensen om haar heen. Van haar broer tot de buurvrouw, van haar grootmoeder tot de aan alcohol verslaafde oom, het worden levende mensen, met hun eigenaardigheden en problemen.

De stijl is toegankelijk, de zinnen zijn niet overdreven lang en dat maakt het zo aannemelijk dat we de wereld bezien door de ogen van een kind. De grauwe tinten van de armoedige buurt, de bakkerij met het oud brood dat gratis gehaald mag worden, je ziet het allemaal voor je. Je zou het haar zo veel beter gunnen.

Tove Ditlevsen schreef een driedelige biografie, waarvan Kinderjaren het eerste deel is. Gelukkig zijn de andere twee delen, Jeugd en Afhankelijkheid inmiddels ook vertaald. Gelukkig, omdat haar leven de moeite waard is om gekend te worden. Niet, omdat het zo’n prettig leven geweest is. De vertaling van Lammie Post-Oostenbrink is goed, ze weet de sfeer prima vast te houden.

Voor wie Kinderjaren gelezen heeft, is het vanzelfsprekend om ook de andere twee delen ter hand te nemen. En dat zou wel eens een goede keus kunnen zijn.

Miriam Vaz Dias