In de Middeleeuwen was het niet gebruikelijk om de naam van de schepper van een kunstwerk te noemen. Of het nu om de schilderkunst ging of om vertellingen, de maker was slechts een vakman die zijn werk maakte ter meerdere eer en glorie van God en kerk. Pas in de Renaissance wordt de kunstenaar als zodanig bekend. Het is dan ook heel bijzonder dat in een van de bekendste middeleeuwse werken, Van den Vos Reynaerde, wel degelijk een naam genoemd wordt. Al in de eerste regels komt ‘Willem die Madoc makede’ naar voren. Overigens, echt veel duidelijker wordt het er niet van, Willem is ook dan al een heel gewone naam en het feit dat hij Madoc schreef, maakt ons ook niet wijzer. Geen enkele letterkundige of andere mediëvist heeft ooit kunnen ontdekken wie of wat Madoc was.
En nu is er dan het boek van Nico Dros met die titel. Een dubbele raamvertelling, zo zou je het kunnen noemen. De schrijver voert Willem de Reuvere op, een Vlaamse letterkundige die bij toeval in het bezit komt van een origineel middeleeuws exemplaar van wat we wel kortweg ‘de Reinaert ‘ noemen. Met daarbij nog een aantal liederen, een ander verhaal uit die tijd, van Yzengrinus de wolf en een onverklaarbare tekst met slechts afkortingen. Was hij oorspronkelijk van plan de gevonden teksten te gaan vertalen en te bestuderen, na een droom besluit hij het verhaal van Madoc te vertellen. Zijn enthousiasme zorgt ervoor dat het verhaal een complete roman wordt. Het dubbele van de raamvertelling is, dat De Reuvere zelf ook Willem heet en de roman over Madoc schrijft.
Na deze inleiding voert Nico Dros ons de Middeleeuwen in. Het is 1196, in het voorjaar, dat vissers aan de kust van de Noordzee in Vlaanderen, een jongetje van een jaar of vijf vinden, aangespoeld, maar nog in leven. Door zijn uiterlijk en kleding neemt men aan dat hij van voorname afkomst is, maar wel van ver buiten Vlaanderen. Hij wordt opgenomen in een nabijgelegen klooster, krijgt de naam Beda en leert lezen en schrijven, Latijn en nog veel meer. Hij wordt de helper van monnik Arnulfus die kopiist is. Samen lezen zij, los van het religieuze werk, graag oude Griekse en Romeinse teksten. Hetgeen eigenlijk ongewenst is. Gelovig zijn ze eigenlijk geen van beide.
Als een van de monniken, Elmus, zich vergrepen heeft aan minstens twaalf jongens, waaronder Beda, besluit de laatste hem te straffen en het klooster daarna in het geheim te verlaten. Hij geeft de verkrachter, een aantal stokslagen en laat hem vastgebonden in het bos achter. Beda verandert zijn naam in Madoc en bouwt voor zichzelf een leven op. Na een periode met Veerle, een lieve jonge prostituee, komt hij terecht bij graaf Hincmar. Hier weet hij zich op te werken tot kanselier en eerste raadgever, niet in de laatste plaats door verbeteringen aan te brengen in de verhoudingen tussen de uitgeperste boerenbevolking en de graaf, waarvan ieder van zijn kant voordeel heeft. Zijn geheime relatie met Hincmars vrouw blijft ook niet zonder gevolgen. De gebeurtenissen in het klooster, met Elmus, achtervolgen hem. Hij wordt in de pauselijke ban gedaan.
Het leven van Madoc is interessant, maar nog veel interessanter is hoe de schrijver ons meevoert in het middeleeuwse leven. Niets blijft onbesproken, van de hoofse liefde tot de maatschappelijke problemen, van het misbruik in de kerk, tot het turfsteken en het droogleggen van moerassen. Zelfs Hadewijch, de bekende dichtende begijn, speelt een rol. Wie denkt dat het wel saai moet zijn, vergist zich. Het verhaal boeit van het begin tot het eind. Het is zo meeslepend geschreven, dat het steeds moeilijker wordt om het boek weg te leggen. De sfeer is heel middeleeuws, hetgeen bereikt wordt door het woordgebruik, dat echter nergens oubollig of belegen aandoet, maar beelden oproept van lang vervlogen tijden.
Af en toe wordt het verhaal onderbroken door Willem de Reuvere, hetgeen niet stoort, maar eerder een extra laag toevoegt. Zijn gedrevenheid over het onderwerp brengt hij op een bijzondere manier over. Hij is romancier geworden, afgedreven van zijn professie, de letterkunde.
‘Eigenlijk zoekt de romancier bewust de leemtes in de geschiedenis om deze met zijn eigen verbeelding op te vullen. Hij ziet schemergestalten die in de letterkunde ‘mystificaties’ worden genoemd en deze herschept hij met denk- en boetseerwerk tot volwaardige personages.’

Het is maar goed dat auteur Nico Drost de geschiedenis van Madoc geschreven heeft. Na het lezen van dit boek is het, alsof we nu eindelijk echt weten wie die Madoc was.