Het is eind negentiende eeuw, wanneer de medische wetenschap geïnteresseerd raakt in de menselijke geest en vooral in de ziektes daarvan. De neurologie staat nog in de kinderschoenen. De naam voor deze wetenschap is er nog niet eens. Jean-Martin Charcot is arts en na zijn studie over gewrichtsreuma, gaat hij zich richten op de geesteswetenschap. In Parijs leidt hij het ziekenhuis La Salpêtrière, waar “gekke” vrouwen worden opgenomen, verpleegd en bestudeerd.  Onder zijn leerlingen zijn bekende namen te vinden als Gilles de la Tourette en Freud.

Victoria Mas beschrijft in haar debuutroman het leven in het hospitaal en de veelal ‘hysterische’ vrouwen die daar verblijven. Gek en hysterisch zijn breed uitgelegde begrippen in de negentiende eeuw. Vrouwen die zich niet helemaal voegen naar de dan geldende cultuur, worden al gauw voor gek versleten. Het kan dan gaan om een vrouw die weigert zich te laten mishandelen door haar echtgenoot, een prostituée of iemand die door armoede op straat beland is. Stuk voor stuk worden zij bekeken en bestudeerd door Charcot en zijn studenten. Dat gaat niet zachtzinnig, er wordt geen rekening gehouden met het hebben van gevoelens van de dames. Zij zijn objecten, waar vooral door de studenten veel om gelachen kan worden.

Geneviève, of zoals de meest ervaren verpleegster genoemd wordt,  de Oudgediende bewondert doctor Charcot zeer en doet eigenlijk kritiekloos wat er gevraagd wordt. Ze is niet gevoelloos, maar zich inleven in de vrouwen doet ze ook niet. Ze voert haar taken met veel plichtsbesef uit en toont net iets meer menselijkheid dan de meeste anderen. Haar privéleven is enkel treurnis sinds haar geliefde zusje Baldine overleed. Als ze thuiskomt, schrijft ze haar brieven die ze allemaal zorgvuldig opbergt.

Eugénie is een jonge vrouw uit de ‘betere stand’. Ze leest veel en is geïnteresseerd in het spirituele. Bovendien ontdekt ze dat ze contact heeft met de doden. Aanvankelijk is dat vooral haar overleden grootvader. Ze denkt dit in vertrouwen aan haar grootmoeder te kunnen vertellen, maar die stelt haar vader op de hoogte, waarop ze zonder enig commentaar door hem en haar broer wordt afgeleverd bij La Salpêtrière. Daar bereidt men zich op dat moment voor op een jaarlijks bal der gekken. Een feest dat ook in werkelijkheid plaatsvond. De verklede vrouwen ontmoeten die ene keer per jaar de upper class van Parijs, die zich kostelijk vermaakt met die vreemde wezens in het hospitaal.

Victoria Mas heeft veel gevoel voor de personen die ze beschrijft, laat de lezer het leed van de vrouwen meebeleven, zoals dat van de fijngevoelige Louise, favoriet studieobject, want mooi en jong, maar doodongelukkig. En Thérèse, de vrouw die haar gewelddadige man ombracht, die al twintig jaar daar woont en eigenlijk niet meer weg wil. Zij vult haar dagen met het breien van talloze sjaals, voor ieder die er maar een wil.

De verhouding tussen Geneviève en Eugénie vormt de rode draad in deze bijzondere geschiedenis.  Beide vrouwen, zo verschillend van achtergrond, karakter en leeftijd zijn met veel empathie beschreven. De stijl van de schrijfster is direct, geen ellenlange zinnen, toegankelijk en boeiend. Niet voor niets is haar boek al meerdere malen bekroond. We mogen hopen op meer werk van haar hand.  De vertaling van Andreas Dijkzeul is eveneens goed getroffen.

Er zijn meer boeken geschreven over die begintijd van de psychiatrie, zoals onlangs nog de Engelen van Elisabeth, door Els Florijn. Ook zij dringt door tot het gruwelijke leven in een dergelijk instituut. Bijzonder aan deze roman is echter het feit dat het geheel gebaseerd is op de werkelijkheid, wat maakt dat een en ander nog meer binnenkomt.