Jacob is koster, lekenkoster, al noemt hij zichzelf ook wel conciërge. De broeders kunnen hem alles vragen, hij zegt nooit nee. Maar of hij echt bij de gemeenschap hoort?
“Hoe ik het zelf zou omschrijven? Ik weet heus wel dat het voor het gemak van het retraitecentrum is en dat de gastheer of gastvrouw hier ’s nachts nooit hoeft te slapen, in geval van nood kunnen de gasten altijd bij de conciërge aankloppen. Ik weet heus wel… Jacob, je bent ondankbaar, ze hadden je niet hoeven opnemen. Hebben ze me opgenomen? Echt opgenomen? Ik ben blij dat ik hier woon. Ik neem deel aan de diensten, ik eet met de broeders, hun huiskamer is de mijne. Officieel besta ik in hun gemeenschap niet.”
De bescheiden Jacob voelt zich op zijn plaats in de beslotenheid van het klooster. Zijn geloof is diep en alles overstijgend, hij houdt ook van de rituelen en van de beelden in de kapel. Hij begrijpt niet dat sommige gasten laatdunkend kunnen doen over die beelden. Voor hem zijn zij hetzelfde als de foto’s van hun kinderen in hun portemonnee, daar spot je toch ook niet mee?
Maar dan is daar Henry Loman, een uit zijn functie gezet politicus, die zijn leven een andere wending wil geven. Het overrompelt Jacob, de man begint meteen een gesprek met hem. Jacob verstaat maar de helft, hij loopt links naast hem en daardoor is zijn ‘slechte oor’ naar Henry gericht. Hij is bovendien geen broeder, probeert dat uit te leggen, maar het stoort Henry allerminst. Nog verbazingwekkender is het voor Jacob dat de gast niet schrikt van zijn uiterlijk. De ene kant van Jacobs gezicht is verlamd. Mensen kijken vaak de andere kant op of hij krijgt “een al te vriendelijke glimlach, die je een jong kind geeft dat je niet wilt afschrikken.” Henry Loman lijkt het niet op te vallen.
Tussen Jacob en Henry groeit een band, ondanks het feit dat hun levens tot dan toe geen enkele overeenstemming vertonen, zelfs elkaars tegengestelde zijn. ’s Avonds op een bankje in de kloostertuin, probeert Jacob zijn nieuwe vriend te overtuigen van het belang van geloven en het lijkt of Henry op zijn manier er ook voor open staat. Maar het blijft aan de oppervlakte, verknocht als hij is aan de buitenwereld met alles wat daaraan vast zit. Zijn ex-vrouw die hem altijd alles vergeeft, het feest rond het Paasvuur, waar hij Jacob mee naar toe sleept, het blijft voor hem toch belangrijk.
Als Henry een forse misstap begaat, is Jacob teleurgesteld en ook boos, maar ondanks dat is hij bereid heel ver te gaan om de door hem bewonderde vriend te redden. Hij wil zelfs wel letterlijk het bloed van het lam aan Lomans deurpost smeren, zoals in de bijbel staat, zodat men zijn deur voorbijgaat en hij gevrijwaard blijft van straf. Hij gaat daarvoor een bevroren lamskotelet te lijf, wat bijna komisch lijkt, maar ach, het is zo diep gemeend.
Het is bijna Pasen en de daarbij behorende gedachten en rituelen spelen een belangrijke, maar vooral natuurlijke rol in de gesprekken. Esther Gerritsen kan dat, ze is in staat op een uiterst fijnzinnige manier de interactie tussen mensen te verwoorden, tegengestelde karakters uitdiepend en de sfeer tekenend.
“ ‘Ik ben geen goed mens,’ zei hij. Hij sprak de woorden onbeschaamd uit, kalm, niet om te worden tegengesproken. Het was een nuchtere vaststelling. Hij vroeg of ik hem geloofde.
‘Ja’ zei ik. Ja, ik geloofde hem. ‘Goed’, zei hij toen, ‘dan ga ik nu koffiedrinken.’ Ik keek hem na, een onbezorgde tred, zou je zeggen.”
Het leven in een klooster, gezien vanuit het perspectief van een beminnelijke man als Jacob, dat vraagt erom gelezen te worden.
Recente reacties